Völuspá modern Nederlands

© Vertaling Terryn Dave 2020 .

De profetie van de zieneres .

Waarom deze vertaling ?

Er zijn enkele goede versies van Nederlandstalige vertalingen van het völuspá die door heel veel Nederlandstalige mensen wordt gebruikt . Ik denk dat bijna iedereen met onze taal deze heeft gelezen .

De vertaling van Marcel Otten uit 1994 en de vertaling van Elsa–Brita Titchenell uit 1985. Er zijn natuurlijk nog wel andere vertalingen maar deze zijn waarschijnlijk de meest bekende en gelezen versies . Desondanks ik deze 2 versies ook verslonden heb en ze goed begrijpbaar vond , ontbrak er mij toch iets , zoals velen wel al weten is van de oude teksten niet zo heel veel beschikbaar in onze moedertaal . Je hebt een basis maar daar blijft het dan ook bij . Wanneer je verdere info wil bekomen moet je al naar andere talen overstappen en daar heb je dan natuurlijk in het Engels de grootste keuze . Maar als je daar eenmaal mee begint valt er een fout op uit onze Nederlandstalige versies , namelijk dat alle namen en plaatsen ook mee vertaald zijn en je eigenlijk maar half meer snapt over wie en wat er gesproken wordt zonder telkens naar referenties te gaan zoeken . Terwijl ik dacht dat ik één van de weinige was die dat storend vond komt dit toch dikwijls naar voren bij mensen die op zoek zijn naar meer informatie over het oude geloof .

Dus heb ik mij gewaagd om een nieuwe Nederlandstalige versie te maken zonder de vertaling van plaatsen en namen , zodat wanneer je andere delen van de oude geschriften leest in andere talen je de namen en plaatsen nu ook daadwerkelijk herkend .

Ik ben bijlange geen beëdigd vertaler of professor van alles of nog wat , dus was dit een redelijk heftige klus om alles tot een correcte en vloeiend lezende tekst te kneden zonder de essentie van het origineel manuscript te veranderen .

Mijn vertaling is tot stand gekomen door de vele anderstalige versies te lezen en te interpreteren .

De Engelstalige versie die ik jaren gebruikt heb om de teksten te begrijpen is die van Henry Adams Bellows uit 1923 . De versie van Bellows is niet de meest luchtige versie van het Poëtische Edda om te lezen en begrijpen maar wel de meest complete en correcte . Dus ben ik daaruit vertrokken als basis . Met een beperkte kennis van de oude Noorse taal , de originele Noorse en IJslandse teksten teksten plus Bellows versie kwam ik al een redelijk eind in het opnieuw vertalen naar het Nederlands maar ik had ook hulp van kennissen wereldwijd die wel het oud Noors machtig waren waar ik me toe kon wenden .

Dus dit schrijven is daar nu de vrucht van .

Waar nodig in een stanza met oude Noorse namen of andere data staat er wel een verduidelijking bij in het klein .

Ik ben persoonlijk wel gelukkig met dit resultaat en hoop dat deze vertaling kan een meerwaarde zijn voor mensen die de oude teksten willen begrijpen .

Dus hopelijk veel leesplezier ,

Intro

Völuspá of de profetie van de zieneres wordt verteld door de persoon van een overleden völva, gewekt door Odin en ondervraagd voor informatie over het begin en het einde van de wereld. Er zijn twee versies van de Völuspá bewaard gebleven, één in de Codex Regius met het grootste deel van de andere overblijfselen van de Eddische gedichten en één in de Hauksbók. De Hauksbók-versie is een later geschreven manuscript dan de Codex Regius en heeft een meer geïsoleerde context van de völuspá. Het gedicht wordt ook uitgebreid geciteerd in de Proza Edda van Snorri en wordt vaak gebruikt om de andere manuscripten door middel van die bron te corrigeren. Het gedicht is zeer zinspelend en de völva verwijst vaak naar verhalen die ze niet in hun geheel vertelt. Met name het verhaal van de eerste oorlog (stanza 21 t /m 24) wordt slechts in de vaagste details verteld, maar lijkt te hebben geleid tot gevechten tussen de Asen en de Vanir goden. In stanza 25 – 26 zien we ook toespelingen op een verhaal dat meer wordt verteld in de Proza Edda, van een reus en het paard Svadilfari die een muur rond Asgard bouwde maar Freya als zijn prijs eiste. De goden accepteerden zijn dienst maar bedrogen hem uit zijn prijs; in stanza 26 verwerpt Thor hun bedrog en roept op tot een regelrecht gevecht. Het complete verhaal kan gevonden worden in Gylfaginning stanza 42 . Deze stanza vertelt tevens over de afkomst van Sleipnir .

Het gedicht bevat de ietwat beruchte “catalogus van de dwergen”, een lijst die beweert al deze wezens te noemen, die door J.R.R Tolkien werd gedolven voor de namen van personages in zijn denkbeeldige wereld.


 1.
 Luister naar mijn woorden alle klassen van mensen ,
 jullie grote en kleine kinderen van Heimdall(r) .
 Je riep mij , Odin , om te vertellen wat ik me herinner
 van de oudste daden van de goden en de mensen . 
 2.
 Ik herinner me de reuzen die zo lang geleden zijn geboren;
 in die oude dagen voedden ze me op.
 Ik herinner me negen werelden,negen reuzinnen en het zaad
 waaruit Yggdrasil voortkwam . 
 3.
 Het was bij het allereerste begin, het was Ymir's tijd,
 er was geen zand, geen zee , geen verkoelende golven ,
 geen grond , geen lucht , geen gras ,
 alleen Ginnungagap[1] .

1 = De grote leegte .

 4.
 Maar Odin en zijn broers schiepen de aarde ,
 zij waren het die Midgard maakten.
 De zon scheen vanuit het zuiden op de stenen van hun hal ,
 en het land werd groen met groeiend plantenleven . 
 5.
 De zon, partner van de maan , scheen vanuit het zuiden,
 terwijl de hemelse paarden hem van oost naar west trokken.
 De zon wist 's avonds nog niet waar haar plaats was ,
 de sterren wisten nog niet waar ze aan de hemel stonden ,
 de maan wist nog niet wat voor kracht ze had. 
 6.
 Toen gingen alle goden naar hun tronen ,
 die heilige , heilige goden ,
 en kwamen tot een besluit : ze noemden
 de nacht en de uren , de ochtend , de middag , 
 de namiddag en de avond,
 zodat ze de tijd konden zien . 
 7.
 De goden hadden hun ontmoeting in Iðavöllr[1],
 waar ze tempels en hoge heiligdommen bouwden;
 ze maakten ateliers , ze maakten schatten , 
 ze maakten tangen
 en ander gereedschap . 

1 = Ithavoll

 8.
 Ze speelden in het gras , ze waren vrolijk ;
 ze hadden geen gebrek aan goud
 totdat er drie reuzinnen , duivelse reuzinnen ,
 uit Jötunheim kwamen . 
 9.
 Toen gingen alle goden naar hun tronen,
 die heilige , heilige goden ,
 en kwamen tot een besluit : 
 ze zouden de heerser van de dwergen maken
 uit het bloed van Ymir en zijn rottende ledematen . 
 10.
 Toen maakten ze Motsognir , hij was de heerser
 van alle dwergen , en vervolgens maakten ze Durin .
 Ze maakten veel mensachtige kleine wezens
 dwergen van de aarde , en Durin noemde ze : 
 11.
 Nyi en Nithi ,Northri en Suthri ,
 Austri en Vestri , Althjof, Dvalin ,
 Nar and Nain , Niping, Dain ,
 Bifur, Bofur , Bombur, Nori ,
 An en Onar, Ai, Mjothvitnir. 
 12.
 Vigg en Gandalf , Vindalf, Thrain ,
 Thekk en Thorin , Thror, Vit en Lit ,
 Nyr en Nyrath ,Regin en Rathsvith ,
 nu heb ik de dwergen correct genoemd . 
 13.
 Fili, Kili, Fundin, Nali,
 Heptifili, Hannar, Sviur,
 Frar, Hornbori, Fræg and Loni,
 Aurvang, Jari, Eikinskjaldi 
 14.
 Nu de namen van de familie van de dvalin,
 de dwergen stamden af van Lofar, 
 zoals mannen vertellen:
 degenen die hun stenen hallen verlieten voor een huis op Jöruvalla : 
 15.
 Deze waren Draupnir en Dólgþrasir,
 Hár, Haugspori, Hlévangr, Glóinn,
 Dori, Ori, Dúfr, Andvari,
 Skirfir, Virfir, Skafiðr, Ai. 
 16.
 Álfr en Yngvi , Eikinskjaldi ,
 Fjalarr en Frosti , Finnr en Ginnarr ;
 De namen van deze dwergen, 
 de afstammelingen van Lofar ,
 zullen beroemd zijn zolang de wereld bestaat . 
17.
Drie goden , krachtig en gepassioneerd , lieten Ásgarðr[1] achter voor  Midgard .
Ze vonden Ask[2] en Embla[3] ,twee zonder lot ,
machteloos ,levenloos in het land . 

1 = Asgard , 2 = Es , 3 = Slingerplant .

 18.
 Ze hadden geen adem , geen ziel , geen haar, geen stem ,
 ze zagen er onmenselijk uit .
 Odin gaf ze adem, Hönir gaf ze zielen , Lotar gaf ze warmte ,
 een mooie tint en menselijke gezichten . 
 19.
 Ik ken een es genaamd Yggdrasil, een hoge boom ,
 gespikkeld met witte klei ; 
 dauwdruppels vallen ervan op de valleien ;
 hij staat, voor altijd groen , boven de bron Urðar[1] . 

1 = Urth

20.
Daar wonen drie wijze vrouwen , bij de bron onder die boom .
Urð [1] heet één , een ander is Verðandi [2], de derde heet Skuld .
Ze bepalen het lot van mensen , ze bepalen de wetten van het lot ,
ze kiezen de levensduur van elk mensenkind en hoe dat leven zal  eindigen . 

1 = Urth , 2 = Verdandi

 21.
 Ik herinner me de eerste moord ooit in de wereld ,
 toen Gullveig werd doorboord door speren en verbrand in Odins hal.
 Ze verbrandden haar drie keer ,
 ze werd drie keer herboren;
 vaak gedood - niet een paar keer! - toch zou ze weer leven . 
 22.
 Ze noemden haar Heiði [1]
 toen ze bij hen thuis kwam , een tovenares die goede dingen voorzag .
 Ze kende magie , ze kende hekserij , ze beoefende hekserij .
 Ze was de trots van een slecht gezin . 

1 = Heith

 23.
 Toen gingen alle goden naar hun tronen ,
 die heilige, heilige goden ,
 en kwamen tot een besluit
 of ze Gullveigs verdorvenheden
 moesten doorstaan , of wraak moesten nemen . 
24.
Odin smeet zijn speer en schoot hem in de strijd ;
dat was de eerste oorlog ,ooit in de wereld .
De buitenmuur van Ásgarðr [1] was gebroken .
De Vanir[2] kenden oorlogsmagie, ze vertrappelden de valleien .

1 = Asgard , 2 = Wanen

 25.
 Toen gingen alle goden naar hun tronen ,
 die heilige, heilige goden ,
 en kwamen tot een besluit :
 alle lucht zou worden vergiftigd door hun bedrog,
 of Freya zou met een reus moeten trouwen . 
26.
Þórr [1] alleen was in de stemming om te vechten ;
hij vat het niet licht op als hij van zulke dingen hoort : gebroken  beloften .
Gebroken eden en geloften , leiden tot valse woorden zoals zelfs de goden hebben geuit . 

1 = Thor

27.
Ik weet waar Heimdall(r) zijn oor verborg onder de hemel heldere
heilige takken van Yggdrasil.
Ik zie een rivier die de modderige waterval voedt waar Odins oog zich verbergt.
Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 
28.
Ik zat alleen toen die oude naar me toe kwam ,
Odin van de Æsir [1],en hij keek me in de ogen .
Wat zoek je van mij, Odin ?
Waarom zoek je mij, Odin ?
Odin, ik weet waar je je oog verborg in de beroemde wateren van de bron van Mimir .
Maar Mimir kan elke ochtend drinken van dat water waar je eigen oog in verdrinkt .
Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 

1 = Asen

 29.
 Odin opende mijn ogen voor ringen en kettingen ,
 in ruil daarvoor kreeg hij wijsheid en profetie .
 Ik zag steeds meer , uitkijkend over alle werelden . 
30.
Ik zag Walkuren van ver komen ,
klaar om naar de huizen van de goden te rijden .
Skuld hield een schild vast , en Skogel een ander ,
Gunn, Hild, Gondul en Geirskogul .
Nu zijn de Walkuren geteld, klaar om naar de aarde te rijden , de Walkuren . 
 31.
 Ik zag Bald(e)r ,
 het bebloede slachtoffer, de zoon van Odin ,
 die zich bij zijn lot neerlegde.
 Daar stond de maretak , die slank en mooi werd ,
 hoog boven de vlakte . 
32.
Die tak , die onschuldig leek ,
veroorzaakte een vreselijk verdriet toen Höðr[1] zijn schot loste .
De broer van Bald(e)r werd kort daarna geboren,
hij was de zoon van Odin ; hij nam wraak toen hij nog maar één nacht oud was. 

1 = Hoth

 33.
 Hij had nog nooit zijn handen gewassen of zijn haar gekamd
 toen hij Bald(e)r's moordenaar op de brandstapel legde .
 Frigg(a) huilde in Fensalir[1] om het verdriet van Valhalla .
 Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 

1 = Waterzaal of veenzaal

34.
Ik zag een gevangene gebonden in de natte bossen ,
de leugenaar zelf , niemand minder dan Loki .
Daar zit Sigyn, zijn vrouw , 
hoewel ze geen vreugde vindt in haar man .
Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 
 35.
 Vanuit het oosten valt een rivier , vol dolken en zwaarden ,
 door valleien van gif .
 De naam is Slidr [1] . 

1 = Spleet.

 36.
 Er staat ten noorden van de Nidavellir[1] ,
 een gouden hal van de familie van Sindri[2] ,
 en een andere staat in Ókólni[3],
 de bierhal van een reus genaamd Brimir . 

1 = Donkere valleien , 2 = vonk , 3 = nooit koud

 37.
 Ik zag een hal die ver van de zon stond op Náströnd[1] ;
 de deuren waren naar het noorden gericht.
 Druppels gif vallen door het dak ;
 haar muren zijn omgeven door slangen . 

1 = Lijkenstrand

 38.
 Ik zag eedbrekers waden in die dikke stromen,
 en moordenaars , en degenen die de minnaars van anderen verleiden .
 Daar zuigt Níðhöggr[1] het bloed van de gevallenen uit ,
 En de wolf slaat ze in zijn kaken .
 Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 

1 = Nithhogg , de slang die aan de wortels van Yggdrasil knaagt . Daarom nijdhakker in het Nederlands genoemd .

39.
In het oosten zat een oude reuzin, in Járnviði[1] ,
en daar voedde ze Fenrirs kroost op .
Onder hen is een zekere die in zijn 
monsterlijke vorm[2] in de maan bijt . 

1 = Járnvid of Ijzerwoud , 2 = De wolf Hati

40.
De wolf voedt zich met de dode mannen ,
het huis van de goden kleurt rood van bloed ,
de zon schijnt zwart in de zomers daarna , het weer is nooit meer vrolijk .
Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 
41.
Een reus, zit daar op de heuvel en speelt op een harp ,
hij is de vrolijke Eggther , de bewaker van de reuzen ,
Een prachtige felrode haan Fjalar genaamd kraait naast hem [1]. 

1 = Het kraaien van Fjalar kondigt het begin van Ragnarök aan .

 42.
 Bij de Æsir zingt de haan genaamd Gullinkambi,
 hij maakt de mannen wakker die vechten voor Odin, Heer van de strijd.
 Maar een andere zingt onder de aarde,
 een roetachtige rode haan in de hallen van Hel . 
 43.
 Garmr [1] huilt vreselijk voor Gnipahellir [2] ;
 de wolf zal zijn ketting breken en ontsnappen .
 Ik ken veel wijsheid, ik zie diep in de toekomst ,
 helemaal tot Ragnarök[3], een donkere dag voor de goden . 

1 = Volgens vele vertalingen en suggesties Fenrir maar onzeker dus gebruik ik de originele naam ,2 = een voorportaal naar Niflheim , 3 = Ondergang van de goden

 44.
 Broers zullen elkaar bevechten en doden ,
 neven en nichten zullen de vrede met elkaar verbreken ,
 de wereld zal een moeilijke plek zijn om in te leven .
 Het zal het tijdperk van overspel zijn, een tijdperk van de bijl ,
 een tijdperk van het zwaard,
 een tijdperk van stormen, een tijdperk van wolven,
 schilden zullen worden gespleten .
 Voordat de wereld in zee zinkt ,
 zal er niemand meer zijn die trouw is aan een ander . 
 45.
 De reuzen zijn nu aan zet, en het lot van de goden wordt ontstoken
 door het geluid van de Gjallarhorn[1]:
 Heimdall(r) blaast die hoorn hard, houdt hem hoog,
 Odin overlegt met Mimirs hoofd. 

1 = Galmende hoorn

 46.
 De oude boom kreunt als de reus hem schudt -
 Yggdrasil staat nog steeds, maar hij beeft. 
 47.
 *Garmr huilt vreselijk voor Gnipahellir;
 de wolf zal zijn ketting breken en ontsnappen .
 Ik ken veel wijsheid, ik zie diep in de toekomst ,
 helemaal tot Ragnarök, een donkere dag voor de goden . 

* Stanza 47 is een herhaling van stanza 43 in de manuscripten.

48.
Hrym[1]nadert vanuit het oosten met een schild voor zich,
en Jörmungandr[2]in een monsterlijke woede.
De slang verslaat de golven en de adelaar schreeuwt gretig en splijt lijken met zijn bleke snavel.
Naglfar[3], het schip van de reuzen, wordt vrijgelaten. 

1 = De reus Hymyr ook vergeleken met Loki , 2 = de Midgard slang , 3 = Schip gemaakt van nagels van de doden .

49.
Dat schip vaart vanuit het oosten, en brengt de mensen van Muspell[1] over de zee,
en Loki is zijn kapitein.
De reuzen komen samen met Fenrir en ook Býleistr[2] is met hen op die reis. 

1 = Muspelheim of vuurland , 2 = Broer van Loki en Helblindi .

 50.
 Welk nieuws van de goden ?
 Welk nieuws van de elfen ?
 Heel Jötunheim[1] brult, de Æsir zijn in beraad ,
 en de dwergen, wezens van de bergen, beven bij hun stenen deuren .
 Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 

1 = Wereld van de reuzen

 51.
 Surt[1] komt uit het zuiden met een fel licht in zijn handen ,
 ja, de zon schijnt op het zwaard[2] in zijn greep .
 De bergen storten in, de rotswanden breken ,
 mannen belopen de wegen naar Hel en de hemel splitst zich erboven . 

1 = Vuurreus , hij bewaakt de toegang tot Muspelheim , 2 = Surtalogi

 52.
 Dan komt het tweede verdriet van Frigg(a)[1],
 wanneer Odin de wolf gaat bevechten
 en Frey(er)[2]de reus Surt gaat bevechten .
 Dan valt Odin, de echtgenoot van Frigg(a), door Fenrir. 

1 = In de manuscripten vernoemd als Hlin , 2 = In de manuscripten vernoemd als Beli’s eerlijke moordenaar .

 53.
 Dan komt de grootste zoon van Odin ,
 Vithar[1], om te vechten, om zijn vader op de wolf te wreken ;
 hij duwt zijn zwaard in de mond van Fenrir, tot aan het hart ,
 en zo wordt Odin gewroken . 

1 = Kenning voor Thor

54.
Dan komt Thor, de zoon van de aarde, de zoon van Odin ,
om Jörmungandr te bevechten, de beschermer van Midgard zal die slang in zijn woede doden .
Maar de gehele mensheid zal sterven wanneer de zoon van Fjörgyn[1] na slechts negen stappen valt ,
neergeslagen door het gif van de eerloze slang . 

1 = Moeder van Thor

 55.
 De zon wordt zwart, de aarde zinkt in de zee ,
 de heldere sterren vallen uit de lucht .
 Vlammen verschroeien de bladeren van Yggdrasil ,
 het inferno reikt tot aan de hoogste wolken . 
 56.
 *Garmr huilt vreselijk voor Gnipahellir ;
 de wolf zal zijn ketting breken en ontsnappen .
 Ik ken veel wijsheid, ik zie diep in de toekomst ,
 helemaal tot Ragnarök,een donkere dag voor de goden . 

* Stanza 56 is een herhaling van stanza 43 en 47 in de manuscripten.

 57.
 Ik zie de aarde voor de tweede keer uit de zee oprijzen ,
 weer groen verfrist .
 Watervallen storten omlaag en adelaars vliegen erboven ,
 op jacht naar vis tussen de bergtoppen . 
 58.
 De Æsir ontmoeten elkaar terug op Iðavöllr[1]
 en aanschouwen de restanten van Jörmungandr ,
 en daar herdenken ze de grote gebeurtenissen van Ragnarök
 en Odins oude wijsheid . 

1 = Ithavoll

 59.
 Daar vinden ze de prachtige gouden speelstukken terug in het gras ,
 waarmee ze in de vroegere dagen hadden gespeeld . 
 60.
 Dan brengen niet bezaaide velden rijpe vruchten ,
 alle kwalen zullen genezen, Bald(e)r zal terugkomen .
 Höðr[1]en Bald(e)r zullen in de hal van Odin wonen ,
 evenals andere goden .
 Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 

1 = Hoth

 61.
 Dan zal Hönir zijn profetieën uitspreken,
 en de twee zonen van Odin,
 de twee broers, zullen Vindheim[1] bewonen .
 Heb je al genoeg geleerd, Alvader ? 

1 = Vanaheim of huis van de wind genoemd .

62.
Ik zie daar bij Gimlé een zaal staan, mooier dan het zonlicht ,
met goud bedekt .
Daar zullen dappere eervolle mannen wonen 
en hun hele leven gelukkig zijn . 
63.
Dan komt de donkere draak naar beneden vliegen vanuit Niðafjöll[1] , de glinsterende slang,
Níðhöggr[2] zal lijken in zijn vleugels dragen terwijl hij over de valleien vliegt ....
en nu .....moet ik verdwijnen . 

1 = Nidafjöll 2 = Nidhogg


De volledige vertaling en tekst is eigendom van Terryn Dave en wordt beschermd door het auteursrecht. Zonder mijn uitdrukkelijke schriftelijke toestemming is het strikt verboden de inhoud te kopiëren . Elke kopie van dit document of een deel daarvan moet dit bericht inzake copyright en alle andere kennisgevingen inzake eigendom vermelden.

The Ballad of Vafþrúðnismál

In Norse mythology, Vafþrúðnismál (Vafþrúðnir’s sayings) is the third poem in the Poetic Edda. It is a conversation in verse form conducted initially between the Æsir Odin and Frigg, and subsequently between Odin and the giant Vafþrúðnir. The poem goes into detail about the Norse cosmogony and was evidently used extensively as a source document by Snorri Sturluson in the construction of the Prose Edda who quotes it. The poem is preserved in Codex Regius and partially in AM 748 I 4to. There are preservation problems relating to stanzas 40-41.

The lay commences with Odin asking advice and directions of Frigg as to whether it would be wise to seek out the hall of Vafþrúðnir. Frigg counsels against this course of action, saying that Vafþrúðnir is an extremely powerful giant, the most powerful one she knows. Nevertheless Odin continues with his quest.

On arriving at Vafþrúðnir’s hall, Odin seeks to obtain Vafþrúðnir’s wisdom through the classic mechanism of a wisdom contest. Vafþrúðnir’s response is to accept the wanderer in his hall and only allow him to leave alive if Odin proves to be wiser. Odin, a master of dissimulation, attempts to pass himself off as Gagnráðr (trans. “victory”), and beseeches the traditional hospitality which should be afforded to wayfarers. Vafþrúðnir, wrong-footed, invites him in and to seat himself. A game of riddling then ensues between the pair.